“Vader, dat Uw wil geschiede…”
’t Is een bede, o zo klein.
Maar zou voor het mensenharte
Wel één bede zwaarder zijn?
Staan wij aan een stervenssponde,
Blikken w’ in een groeve neer,
’t Is zo moeilijk dan te zeggen:
“Dat Uw wil geschiede, Heer’!”
Of, wij zetten onze lippen
Aan de beker van geluk,
Doch één teug is slechts gedronken,
En, -daar ligt hij – ledig, stuk.
Wordt het nacht dan om ons henen,
Kennen wij geen vreugde meer,
’t Is zo moeilijk dan te zeggen:
“Dat Uw wil geschiede, Heer’!”
Of – wij liggen weken, maanden
Stil maar neder, uitgeput.
Onze dagen glijden henen
Traag en langzaam, zonder nut.
Is de wil dan vaak zo krachtig,
Maar het lichaam zwak en teer,
’t Is zo moeilijk dan te zeggen:
“Dat Uw wil geschiede, Heer’!”
Of – maar nee ik ga niet verder,
Is er niet zo heel veel smart
Die in stilte wordt geleden
In het diepst van ’t eigen hart?
Menigmaal bij ’t eenzaam strijden
Zinkt de ziele moedeloos neer.
En het wil niet van de lippen:
“Dat Uw wil geschiede, Heer’!”
En toch, arme, verslagen harte,
Wat g’ ook in uw leven mist.
Leg het veilig in Gods handen.
Hij heeft Zich nog nooit vergist!
Aan Zijn liefde nimmer twijf’len,
Dat geeft rust, en dat geeft moed,
Toch te zeggen, zij ’t ook staam’lend
“Heere, Uw wil is altijd goed”.
Dichter (ons) onbekend