“Heilige en machtige Heere, wij brengen voor Uw ogen onze schulden en onze beproevingen. Wat wij hebben misdaan is groter dan wat wij hebben te dragen. Onder de gesel van de ziekte worden onze krachten uitgeput, maar ons hart wordt zo weinig daardoor veranderd. Heere, Gij hebt deze bezoeking over ons toegelaten en wij erkennen dat wij gezondigd hebben. En toch zijn wij nog zo hardnekkig. Wanneer wij worden gekastijd, belijden wij onze zonden, maar als de bezoeking voorbij is, vergeten wij wat wij hebben beweend. Zo Gij niet spaart, wie zal bestaan?

Maar Heere, Gij hebt U toch eenmaal geopenbaard als die God, die de verderfengel deed terugwijken van de woningen van uw volk. Geef ons, almachtige Vader, geheel onverdiend wat wij vragen, en hoor naar ons geroep voor hen, die lijden en sterven. Gedenk temidden van de beproevingen Uw genade, want Gij hebt geen behagen in de dood van een mens.

Zegen genadig de middelen, die worden aangewend om de verbreiding van de ziekte tot stilstand te brengen; sterk hen die getroffenen zoeken te genezen en te troosten; ondersteun hen die in pijn en smart verkeren; haast U te herstellen die uitgeput zijn; geef Uw hemelse vertroosting aan allen die niet meer genezen zullen. O Heere, doe het, niet om onzentwil, maar opdat op deze aarde nog de lof van Uw Naam zal worden gehoord. Wij loven U, die de ongerechtigheden vergeeft en de krankheden geneest en het leven verlost uit het verderf – door Jezus Christus onze Heere, Amen.”

Aurelius Augustinus (13 november 354 – 28 augustus 430)

De vooruitzichten waren somber. De arts was eerlijk geweest: er is geen behandeling meer mogelijk. En dat bericht was binnengekomen. Hij zou afscheid moeten gaan nemen van zijn vrouw, kinderen en kleinkinderen, die hem zo dierbaar waren. Maar toch was er iets wat hem nog zwaarder woog: hij moest gaan sterven. En dat betekent: voor God verschijnen. Dat was voor hem een onmogelijkheid.

Was hij nu pas voor het eerst, nu de ziekte verder doorging, met deze dingen bezig? Zeker niet, maar hij was er zo gesloten over. Wat ik wel merkte: hij had een honger naar het Woord van God. Meerderen die hem pastoraal bezochten hadden dat opgemerkt. En zo zat ik aan zijn ziekbed. Als bezoeker voel je je dan zo machteloos. Maar gelukkig, we hoeven het niet met onze eigen woorden te doen. We hebben het Woord. Daarbij mogen we ook de woorden betrekken van hen die ons, al sinds honderden jaren, “oud goud” hebben nagelaten. Zo mocht ik de zieke wijzen op de toepassing van een preek die de Schotse predikant Ds. R. Erskine heeft nagelaten over 2 Kor. 5: 18a: “En al deze dingen zijn uit God”. Bij elk bezwaar dat iemand in zijn geestelijke nood kan ervaren, heeft Ds. Erskine een woord uit de Schrift. Heb ik geen verbroken hart? Heb ik geen geloof? Heb ik geen rechtvaardigheid om voor God te kunnen bestaan? Al deze dingen zijn uit God. Zo ook het verbreken van het hart, het schenken van het geloof en het toerekenen van de rechtvaardigheid die voor God kan bestaan.

Als de Heere er het zicht op geeft dat alle dingen uit Hem zijn, dan is zalig worden toch mogelijk. Zelfs voor de grootste der zondaren. Zelfs bij het naderen van de dood. Wat een ruimte geeft het als ik ontdek dat er van mijn kant niets bij hoeft, niets bij mag en niets bij kan. Want al deze dingen zijn uit God.

L. Huisman

Beste mensen,

Wat kan het moeilijk en zwaar zijn in ons tijdelijke leven. Wat kunnen velen van u daarover meepraten, omdat u het nu meemaakt of in het verleden meegemaakt hebt. Bij de lichamelijke zorgen komen vaak veel psychische spanningen. Dit alles mogen wij ook met elkaar delen binnen onze stichting. Het is een gezegend voorrecht, dat nog aan ons gegeven wordt. Het spreekt voor zich, dat u anderen meedeelt in uw zorgen, maar ten diepste staat u er alleen voor en moet u er ook alleen door. Het is dan bovenal een gezegend voorrecht, dat ook in zulke moeilijke omstandigheden Gods Woord ons leert, onderwijst en troost.

Paulus is in 2 Korinthe 12 aan het woord. Ook hij heeft het moeilijk en zwaar. We lezen dat hij geteisterd wordt door een scherpe doorn in het vlees. Bij ervaring weten we allemaal we wat het betekent een doorn in ons vlees te hebben. Dat doet veel pijn en we willen graag dat die doorn uit ons vlees getrokken wordt. Dat wil Paulus ook. Het is alsof een engel des satans hem met vuisten slaat. Dat is nogal wat. Paulus, kind van God, die dagelijks met de slagen van satan geplaagd wordt. Hoe begrijpelijk is het, dat hij die doorn weg wil hebben. Hij heeft er dan ook driemaal voor gebeden. Dat betekent, dat hij aanhoudend gebeden heeft. Paulus heeft de Heere aanhoudend gevraagd die scherpe doorn weg te nemen. De Heere hoort zijn gebed wel, maar verhoort het niet.

Kennen we dat? Voor veel mensen met lichamelijke en psychische noden geldt dat ook. We kunnen een ernstige ziekte omdragen die niet te genezen is. We kunnen gebukt gaan onder een nood die niet te stuiten is. Hebt u de Heere ook aanhoudend gebeden? Heeft misschien ook de familie gebeden? En de gemeente? Het kan zijn dat u mocht herstellen. Wat is dat tot verwondering en stilheid. Ondanks ons toch verhoord?! Het kan ook zijn dat ziekte doorging en de nood niet verminderde. Het kan zijn dat de doorn in het vlees niet weggenomen werd. Hoe is het als de ziekte doorzet en er geen geweer in deze strijd blijkt te zijn?

Misschien vraagt u zich af wat de doorn in het leven van Paulus was. Veel is erover geschreven, maar de Bijbel zwijgt erover. Dit weten we: de doorn wordt niet weggenomen! Dat is aangrijpend in het levensprobleem van Paulus. Zijn beproeving, zijn zwakte, zijn beperkingen worden niet weggenomen. Is dat het einde van alles voor Paulus? Neen en nog eens neen! Paulus heeft een vertroostende boodschap ontvangen! In de tekst staat: ‘Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg’.

De doorn, de pijn, de zwakte blijven en toch heeft Paulus met een God te maken Die vol genade is. Paulus, Mijn genade is er voor vandaag, voor morgen, voor overmorgen en voor altijd. Zo mag Paulus met zijn doorn in het vlees de genade van God ervaren. Hij moet ermee door het leven en hij mag ermee uit het leven. Alleen door Gods genade en om Jezus’ wil.

Die God van Paulus leeft nog. Christus is opgestaan en het graf is leeg. Die duur verworven genade is er ook vandaag nog. Wie die genade mag ervaren, mag verder kijken. Die mag vanuit een andere kant, vanuit Gods kant de doorn bezien. Wat lezen we van Paulus? Hij mag roemen in zijn zwakheden, zorgen en noden. Hij mag door genade belijden: Want als ik zwak ben, met mijn doorn in het vlees, dan ben ik machtig.

Mensen, is er bij u ook sprake van zo’n blijvende doorn? Blijft genezing uit? Hebt u iets mogen ervaren wat Paulus, als een mens in Christus, mocht ontvangen? Mag het ook voor u zijn: Mijn genade is u genoeg? Dan geeft dat soms voor een kort moment, soms voor een langere tijd rust en troost.

U zegt wellicht dat u dat zo niet ervaart. U moet belijden dat u dat leven van Paulus niet kent en dat het voor u alleen maar duisternis is en dat u alle troost moet missen. Zie dan naar Boven, naar de bergen, vanwaar ook alleen úw hulp komen kan! Die hulp zijn we niet waard en hebben we niet verdiend. Nee, maar het is ook alleen uit genade! Meer dan genade hebben we niet nodig. Dat is onze enige troost beide in leven en sterven (Zondag 1).

Gelijk een knecht ziet op de hand zijns Heeren, gelijk het oog der maagd op haar vrouw geslagen is, alzo zijn onze ogen op den HEERE onze God, totdat Hij ook ons genadig zij. Die genade wensen we u/jou van harte toe.

N.J. Teerds

Wat kan je leven in 1 moment toch veranderen; ineens is dan álles totaal anders. Wat maken we ons soms druk om heel veel dingen die niet belangrijk zijn. Zo ging het ook bij ons als gezin. Wat voelde mijn man zich ziek en wat had hij een pijn. Toch maar een afspraak bij de huisarts gemaakt. Vervolgens zit je als het ware in een soort trein die gaat rijden en voor je gevoel ook niet meer stopt.

We werden doorgestuurd naar het ziekenhuis in Gouda voor verdere onderzoeken. We liepen door de gangen en wat een spanning gaf dit. Toch ook maar gebeld naar de kinderen die direct zijn gekomen. Daar lag mijn man op een bed en wat zag hij wit/ bleek. Nooit vergeet ik meer het moment dat een verpleegkundige medicijnen ging toedienen en mijn man hierop een hartstilstand kreeg…

Alle toeters en bellen gingen aan het rinkelen en onze zoon Arie is begonnen met reanimeren. Wat er dan door je heengaat is niet niet goed te beschrijven. Angst; radeloosheid; zou ik hem gaan verliezen? Voor ons nu zo heel onverwacht? Er gaat dan als een schreeuw omhoog: “O God, spaar hem toch. O, wat een wonder toen alles in rep en roer was en de artsen heen en weer liepen was mijn man als door een wonder weer bijgekomen. Hij sloeg zijn ogen op en zag ons; de Heere heeft hem bewaard voor ons als gezin en in de familie.

Maar, om dat beeld van een rijdende trein nog eens te gebruiken, deze stopte niet. Na allerlei vervolgonderzoeken kwam de boodschap: “U heeft Leukemie en we moeten onderzoeken welke vorm en of er middelen zijn….; wat komt er dan in korte tijd veel op je af. Na, in eerste instantie een medisch hopeloze en uitzichtloze situatie kwam vervolgens de mededeling; een chronische vorm die toch te behandelen lijkt (CML).

Bij al deze ingrijpende dingen hebben we toch bijzondere momenten mogen ervaren als gezin. Man en vader in het ziekenhuis; wij na het bezoek weer naar huis. En dan toch ´s avonds samen psalmzingen en onze zoon deed een gebed. We mochten en konden onze nood bij de Heere kwijt; dan staat de trein een ogenblik stil!

Daarbij, wat een verschil toch… in het ziekenhuis hoorden we regelmatig in een andere kamer de vloeken klinken… Daartegenover dat jonge meisje op de kamer bij mijn man! Aandachtig luisterde zij naar het lezen uit de Bijbel en, hoewel voor haar totaal onbekend, ze heeft meegebeden.

Maar o, die chemo- tabletten. Te ervaren wat het betekent “misselijk zijn”; je zo beroerd voelen en wat voel je dan als omstanders een machteloosheid. Alleen elkaars hand vasthouden… willen helpen… soms alleen nog maar gebed… of een zucht… én: De Heere wilde soms wonderlijk horen, zo onverdiend!

De chemo mocht aanslaan en de middelen tegen de misselijkheid gingen z´n werk doen. Wat een blijdschap toen het moment van naar huis gaan kwam; om verder te gaan opknappen en aansterken. Weer in de eigen omgeving; eigen kamer; eigen bed; weer even een tussenstop… Bij al die zorgen en onzekerheden waren er ook momenten dat we de Heere werkelijk mochten erkennen en danken voor Zijn onverdiende ondersteuning en zorg.

Weer het beeld van “die trein”. Een traject van veel ziekenhuisbezoeken; doorverwijzing naar de “Daniël den Hoed- kliniek”. Een ziekenhuis wat bekend is geworden; zelfs vertrouwd werd. Bij de controles vaak gebruik makend van het familiehuis “Ronald Mac Donald”

Er zou nog zoveel te schrijven zijn over wat we daar allemaal zagen en hoorden. Zoveel leed, zoveel verdriet en dat alles vanwege de zonden. Toch ook bij tijden wonderlijke ontmoetingen en verrassende gesprekken waar het mocht gaan over het allerbelangrijkste in een mensenleven. ´Hoe zal ik rechtvaardig verschijnen voor God´. Het gaat om de kennis van de énige troost en een wonder als krommingen door de Heere gebruikt mogen worden… hoe kunnen we God ontmoeten? Is er, zoals bij de laatste plaag in Egypte, bloed gestreken aan de posten (van ons hart)? Dan is een mens veilig voor tijd en voor eeuwigheid! Zo hopen we het vervolg van de treinreis met u te delen DV.

G.H. de Waard – Vuijk

Onderstaande gedicht is van de echtgenote van wijlen ds. P. Los. Mag dit uitzien door genade ook uw of jouw deel zijn?

Ik ga sterven,

Doch het brengt me geen verdriet!

Lang in Kedar rond te zwerven

Is slechts bitter zielsverdriet!

Ik ga sterven!

Ik herhaal het duizend werven:

´t Lust mij hier beneden niet!

Lieven! Weest toch niet verbolgen

Als mijn jongste polsslag slaat!

Jezus wenkt: Ik zal Hem volgen,

Waar Hij voor mij henengaat!

Schoon ´t door ´t dal des doods moog´ wezen,

Met Hem heb ik niets te vrezen,

Op Wie al mijn hope staat.

Ik ga sterven!

Nee, de dood verschrikt hem niet,

Die gelovig bij het zwerven

Op zijn Borg en Midd´laar ziet!

´k Vlucht met Mozes in de klove-

Wie zal mij de schuilplaats roven,

Die Zijn open zijde biedt?

Ik ga sterven!

Leven! Beid toch met geduld,

Daar gij weldra ´t droevig zwerven

Met de hemel ruilen zult!

Daar u Jezus ras zal halen

In Zijn blijde bruiloftszalen,

En daar al uw hoop vervult.

Ik ga sterven!

Lieve Jezus! Kom toch ras!

Breek deez´ aarden kruik aan scherven,

Die geheel onbruikbaar was!

Wonder! Nimmer af te meten,

Gij voor mij door God vergeten,

Toen Uw dood mijn ziel genas.

Het is voldoende voor één dag
Te bidden en te zorgen.
Wat heden u ontmoeten moog’
Denk daarbij niet aan morgen.

Het is genoeg, dat elke dag
Zijn last is toegemeten.
Die heden zorgt, zal stellig u
Ook morgen niet vergeten.

Hij geeft voor deze dag u brood
En kracht en licht en leven.
Zou Hij niet morgen evenzeer
U wat goed is geven?

Zie daarom niet zover vooruit
Met zuchten en met zorgen.
Wie heden op zijn God vertrouwt
Ziet ’s Heeren hulp ook morgen.

Zijn trouw is elke morgen nieuw.
’t Was gisteren zo en heden.
Wie op die trouw zich gans verlaat,
Kan moedig voorwaarts treden.

En is de laatste stap gedaan,
De laatste band verbroken,
Dan roepen wij met blijdschap uit:
Heer, niets heeft ons ontbroken!

Ds. J.H. Gunning Jhzn.
1858-1940
Jaarverslag-activiteiten-2022

Terugblik-jongerenweekend-2023

Terwijl ik na zit te denken over een titel voor deze column, komt het woord verwachting in me op. Wat kunnen we als mens veel verwachting hebben, bewust dan wel onbewust. Het kan betrekking hebben op grote, maar ook op heel kleine zaken die ons diep kunnen raken. In de context van ziekte hebben we ook allemaal onze verwachting, juist dan.

Ik ga met mijn gedachten terug naar 8 januari 2020. We hadden een afspraak bij de uroloog. Hij zou ons vertellen wat de uitslag van de CT scan, gemaakt op 24 december 2019, zou zijn. Wat waren we gespannen. Het was immers niet voor niets dat de leverarts, waar Wim onder behandeling was, ons oudejaarsdag opgebeld heeft. Ze hadden iets gezien op de scan, nee, ze kon niet zeggen wat… Daarvoor moesten we naar de uroloog. Het was zijn vakgebied. Ik zie de wachtkamer nog voor me, waar we heel lang moesten wachten. Eindelijk worden we opgehaald en stappen we de spreekkamer van de arts binnen. Een kamer helemaal in de hoek van de gang. We krijgen twee stoelen aangeboden en de arts neemt plaats achter het bureau. Hij neemt de computer erbij en laat ons de uitslag van de CT-scan zien. Daarbij wijst hij op een klein grijs balletje wat er niet hoort te zitten. Het gaat om een kwaadaardige uitgezaaide tumor… Sinds deze dag weten we met zekerheid: er bevindt zich een ongeneeslijke ziekte in het lichaam van hem die mij zo dierbaar is! We zijn diep verslagen en even voel ik mij zo intens verdrietig, maar daarna is al mijn hoop en verwachting weer op de arts gericht. Ik blijf hem vragen: wat nu? Is er nog wat aan te doen? En steeds weer geeft de arts hetzelfde antwoord: ik maak me grote zorgen, maar kan verder nog niets zeggen. Er zal verder onderzoek nodig zijn. Tot ik eindelijk besef dat ik niets anders van hem kan verwachten… We verlaten de spreekkamer zo totaal anders dan toen we binnenkwamen. Wim stil en geheel verslagen en ook ik heb geen woorden meer. Alleen een stil gebed in mijn hart…

22 januari wordt de PET/CT scan gemaakt waarvan we op 23 januari de uitslag te horen krijgen. Als we al hadden verwacht dat we nu meer duidelijkheid zouden krijgen, werd dit al direct de bodem in geslagen. De uitslag geeft veel activiteit aan in diverse delen van het lichaam, maar er is meer onderzoek nodig om te bepalen om welke vorm van kanker het gaat. Er gaan weken overheen, voor we eindelijk ook de uitslagen van deze onderzoeken hebben. Al die tijd verwachten we toch heimelijk dat het ziekenhuis met een plan van aanpak komt, dat de vreselijke ziekte gestopt en uitgeroeid kan worden. Maar helaas… hoe groot de medische wetenschap en kennis ook is, ze kwamen er niet uit. Zelfs de bron hebben ze niet kunnen achterhalen. 24 maart zijn we voor het laatst in het Erasmus MC bij de oncoloog. Zij kunnen niets meer voor Wim betekenen en geven de zorg terug aan de huisarts. De verwachting is dat Wim nog enkele maanden te leven heeft.

En dan… waar de verwachting op de artsen afgesneden is, dan is er maar één weg die openblijft. De weg naar Boven. Het is niet met woorden uit te drukken wat er door ons heen gegaan is in die laatste maanden. Zeker ook bij Wim zelf. En toch, nu we erop terugzien, moeten we zeggen dat het zeker niet de slechtste maanden zijn geweest. We waren (het was nog in de eerste periode van de corona) zo op elkaar aangewezen. Wat hebben we eerlijke en diepe gesprekken gehad met elkaar. Ons lieve 6 jarige meisje met al haar vragen, maar bovenal met haar verwachting dat de Heere papa weer beter kon maken. Echter, al onze verwachting werd de bodem ingeslagen, mijn lieve man en de papa van ons meisje werd niet meer beter. De ziekte heeft zijn lichaam gesloopt. En toch… ook nu, aan het einde van het jaar in deze moedbenemende en ondergaande wereld, in ieders grote en kleine zorgen, in moeite en verdriet, in ziekte en tegenslagen is er Verwachting. De grote vraag voor mij en u persoonlijk: Verwachten wij (het van) Hem met wie we nooit beschaamd uit zullen komen, zelfs niet bij ’t naderen van de dood? Dat het in ons hart nog eens waarheid mocht worden of zijn: En nu, wat verwacht ik, o Heere? Mijn hoop, die is op U (Ps.39:8).

Lenie Klop – de Pater

Jaarrekening-2021-Winstuitverlies