Waarom ga je met de lift? Een van de surveillanten van mijn school, een wat oudere man, nam me aandachtig op. Fronste. Het overviel me: ik kreeg die vraag nooit, want de docenten wisten wie ik was en kenden mijn verhaal. Mijn gedachten gingen vliegensvlug. Ik probeerde er onderuit te komen, maar antwoordde toen toch maar: ‘Omdat ik leukemie heb gehad’. Hij keek geschokt, vertelde hoofdschuddend hoe erg hij dat vond en bleef dat maar herhalen tot de liftdeur openging. Ik had geen idee wat ik moest zeggen en ging er zo snel als ik kon vandoor.
Ik was toen een puber van een jaar of veertien. Eigenwijs, gesloten en een beetje verlegen soms ook wel, dus dit soort situaties waren moeilijk. En eigenlijk zijn ze dat nog steeds. Op mijn zevende werd ik voor het eerst ziek. Binnen korte tijd leerde ik de namen van medicijnen en chemo’s, dat ging bijna vanzelf. Maar hoe leer je de juiste vragen stellen aan je arts? Hoe leer je luisteren naar je lichaam? En vooral: hoe leer je omgaan met moeilijke vragen en praten over je gezondheid? Er is geen school die je dat leert. De enige manier om dat te leren is met vallen en opstaan, in de praktijk.
Wat is er met je knie?
Ik krijg vaak moeilijke vragen. Meestal begint het met vragen over mijn knie, omdat dat zichtbaar is, in tegenstelling tot mijn overige gezondheidsproblemen. ‘Wat is er met je knie?’ ‘Juf, waarom heb jij een robotbeen?’ (een brace) ‘Een kapotte knie, hoe komt dat dan?’ Of: ‘O, werk je parttime, waarom?’ En de keren dat ik meer vertel: ‘Hoe oud was je dan toen je leukemie kreeg?’ Dan ontkom ik er niet aan om te vertellen dat ik meerdere keren ziek ben geweest.
Wat is de juiste reactie op zulke vragen? Hoe doe je het goed? Bijna twintig jaar na mijn eerste diagnose, doe ik nog steeds maar wat. Al heb ik in de loop van de jaren wat ervaring opgedaan. Zo was ik ooit op een weekendconferentie. Ik zat met een jongen zomaar wat te praten, toen ik per ongeluk zei dat ik iets te duur vond, doordat ik maar parttime werkte. Natuurlijk wilde hij weten waarom ik niet meer werkte en ik zei dat dat om gezondheidsredenen was. ‘Toch niks ernstigs als kanker of hartproblemen hoop ik?’ vroeg hij verschrikt. ‘Nee hoor, gelukkig niet!’ antwoordde ik.
IGA
Het was eruit voor ik er erg in had, als een reflex. Het was helemaal niet mijn bedoeling om te liegen. Toen ik dat later aan een psycholoog vertelde, gaf ze me een ezelsbruggetje mee: IGA. Informeren. Geruststellen. (Het gaat nu goed hoor. Of: Maar ik ben al bijna zeven jaar schoon gelukkig!) En Afleiden. Dit gebruik ik regelmatig. Maar ik geef ook weleens aan dat ik liever geen antwoord geef op een vraag. En daarnaast heb ik tegenwoordig altijd een standaardantwoord in mijn hoofd. Of eigenlijk drie antwoorden. Soms vertel ik alleen maar dat ik botnecrose heb in mijn knie. Soms vertel ik erbij dat dit komt door een hoge dosis prednison die ik kreeg omdat ik longproblemen heb. En af en toe vertel ik het hele verhaal: dat die longproblemen een complicatie van behandelingen is. Dat ik leukemie had.
Zakelijk?
Of iedereen daarmee tevreden is? Ikzelf wel, denk ik. Anderen soms minder. ‘Je kan zo bot doen’, zei iemand uit mijn omgeving pas. En een ander vulde aan: ‘Je praat erover alsof je over het weer praat, zo zakelijk.’
Maar wat moet ik dan? Soms…
… kan ik geen antwoord geven, omdat het écht niet het juiste moment of de juiste plek is.
… wil ik het niet vertellen, omdat ik de ander simpelweg niet ken én waarschijnlijk nooit meer tegenkom. Je deelt geen levensverhaal met een toevallige voorbijganger, toch?
… laat ik een groot deel van het verhaal achterwege, omdat ik weet dat de ander er heel erg van schrikt en ik dat moeilijk vind om te zien. Mensen verwachten zo vaak een verklaring die minder ernstig is. Ze verwachten geen leukemie en zeker geen zes keer.
… wil ik eigenlijk niks zeggen, omdat ik mezelf én de ander een ongemakkelijk moment wil besparen.
… durf ik niet het hele verhaal te vertellen, ben ik te bang om weer dat stempel te krijgen van toen: dat meisje met leukemie.
… reageer ik zakelijk en kort, niet omdat ik dat wil, maar omdat het me overvalt en plotseling alle woorden verdwenen zijn. Dan heb ik een black-out.
Ben ik te zakelijk, reageer ik te bot? Misschien. Maar wat als ik niet anders kan, als ik probeer mezelf te beschermen? Wat als dat op dat moment het beste voor mij is?
De ‘Hoe-gaat-het-vraag?’
Er is nog een vraag die ik ingewikkeld vind, namelijk de ‘Hoe-gaat-het-vraag?’ Ook daarop reageer ik soms zakelijk of met een simpel ‘goed hoor’. Want soms…
… is het geen oprechte vraag en betekent het niet meer dan ‘hoi’.
… is de vraag echt, maar ontbreekt de tijd voor een echt antwoord.
… zie ik dat de ander zelf al genoeg heeft, dan wil ik mijn zorgen en problemen er niet nog bovenop stapelen.
… ben ik bang dat de ander mijn antwoord ziet als klagen. Ben ik bang dat mensen me gaan mijden, omdat ik niet positief genoeg ben.
… ben ik bang dat ik moet huilen.
… krijg ik een complete error, omdat ik zelf het antwoord ook niet weet.
En soms gaat het gewoon goed!
Het is niet zo dat ik het niet waardeer als mensen vragen hoe het met me gaat. Als het een oprechte vraag is, vind ik het juist heel lief. Maar dat betekent nog niet dat het antwoord makkelijk is!
Opnieuw in de lift
Nog even terug naar het begin van deze blog, naar dat moment in de lift. Een paar maanden later kwam ik hem weer tegen in de lift. Opnieuw vroeg hij: ‘Waarom ga je met de lift?’ Er waren vast geen tien leerlingen met mijn verhaal, maar ondanks zijn schrik de vorige keer was hij het vergeten. Of hij was gewoon niet goed in het onthouden van gezichten, dat kan natuurlijk ook. Hoe dan ook, dit keer had ik mijn antwoord wél klaar. Kort en simpel: ‘Omdat ik daar toestemming voor heb.’
Willemarijn (1998) is onderwijsassistent in een taalklas. Ze is gek op koffie, kleur en taal en schrijft regelmatig over haar ervaring met kanker. Op haar zevende kreeg ze leukemie (ALL), daarna volgde vijf keer een recidief. De laatste behandeling was in 2019.
Enthousiast vertelde ik als 6-jarige aan tafel, wat we op school aan het knutselen waren. Mijn moeder zei: maak je dat voor vaderdag? Ik herinnerde me dat de juf dat woord genoemd had, maar ik kende de betekenis niet, ik zei nooit ‘vader’. Moeder vertelde dat het een kadootje voor papa werd. Ik schrok: nu had ik een geheimpje verraden! Maar vader glimlachte en zei: ik heb niets gezien dus het is nog steeds een verrassing. Opgelucht deed ik nog meer m’n best op het werkje, want nu maakte ik het voor papa!
Mijn man en ik ontvingen de zegen van het huwelijk met de trouwtekst: ‘Hij zal u in al de waarheid leiden’ (Joh. 16: 13m). Een belofte waarvan we de betekenis later gingen verstaan. Vaderdag vierden we nog steeds. Tot mijn schoonvader overleed en acht jaar later mijn vader. Onze kinderen waren zeer gewenst. We hebben ze verwacht. We hebben ze vernoemd. Maar ze zijn nooit geboren. Het werd geen vaderdag in onze woning. En hoe is het in die huizen waar een (soms jonge) vader overleed? Of het leven alleen geleefd wordt? Vaderdag, maar hoe?
In het tiende jaar van ons huwelijk leidde de Heilige Geest mij in deze waarheid: Adamskind die de dood verdient en een terecht vertoornde Vader. Door genade leidde Hij verder, gaf zicht op de Weg, openbaarde de Waarheid en schonk het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij, zegt Christus. Toen mocht ik zeggen: Abba, Vader!
Twee jaar na het overlijden van mijn vader, kreeg ik borstkanker. Ik was bezig met een opleiding, passend bij een andere functie op het werk. Nu kwam ik thuis te zitten, geen energie meer om te werken en te leren. Wat had dit ons te zeggen? Was het een straf van God? Of een oefening in vertrouwen op Hem? Of waren we te veel zelf aan het werk?
Ik zocht zondag 10 van de Heidelbergse Catechismus erbij, de vraag naar Gods voorzienigheid: de almachtige en alomtegenwoordige kracht van God waardoor Hij hemel en aarde, met alle schepselen, gelijk als met Zijn hand nog onderhoudt, en zo regeert dat … gezondheid en krankheid … niet bij geval maar van Zijn Vaderlijke hand ons toekomen.
Wat een majesteit spreekt er uit die eerste zin, dat is onze God! Toen viel het licht op het woord ‘Vaderlijke’. De ontdekking dat deze ziekte uit Zijn Vaderhand en Vaderhart komt, daar kwam een oneindige liefde in mee. En dat voor een zondig mensenkind. Het is goed Heere, wat U doet. Zijn almachtige en alomtegenwoordige kracht heeft de ziekte in mijn lichaam verdrongen. Hij onderhoudt en regeert mij nog op aarde. Maar eens komt het moment dat we Hem zullen zien van Aangezicht tot aangezicht: de Vader, Die Alles zal zijn in allen.
Drie-enige God, dank U dat het elke dag Vaderdag is, en tot in eeuwigheid.
Trudy de Haan
Vorige week liep ik in een winkel om wat inkopen te doen. Eén van de verkoopsters keek mij eens aan. Ik keek haar ook aan en liep weer een andere kant op. Dicht bij de kassa keken wij elkaar nog eens aan en ineens was er die blik van herkenning. Ik ken jou, was onze wederzijdse reactie. En toen was het even waar kennen we elkaar van, maar toen wisten we het al snel: een jongerenweekend van stichting Winst uit Verlies. Inmiddels al weer zes jaar geleden. Zij ging mee vanwege de betrokkenheid met kanker die zij zelf ondervond en ondervindt. En ik ging mee vanwege de betrokkenheid met kanker die mijn vader betrof.
Toen kwam de volgende vraag van haar aan mij, hoe is het met je? Mijn antwoord was op en neer. Het ene moment gaat het wel het andere moment is het weer zo moeilijk. Bijna 10 jaar geleden is mijn lieve vader overleden. Ik zei tegen haar: na 10 jaar moet het toch wel weer goed gaan? Maar haar antwoord was dat gaat nooit weg hoe lang het ook geleden is. En wat is dat een waarheid. Toen was mijn vraag aan haar, hoe is het met jou? En toen antwoordde ze hetzelfde: op en neer. Wat een herkenning in hoe we dat in zulke verschillende situaties toch hetzelfde beleven. Zij in het verdriet en rouw om wat haar ziekte haar ontneemt en ik mijn verdriet en rouw in het gemis van mijn lieve vader. En dan is daar onbewust die verbondenheid weer voelbaar.
Tegelijkertijd vroegen we ons ook af of we weer eens mee zouden gaan met een jongerenweekend. Enerzijds kijk je er naar uit, anderzijds kijk je er tegen op. Soms wil je het gewoon even niet over je verdriet en rouw hebben. Net doen of het niet bestaat. Net doen of je goed in je vel zit en geen rugzak van moeite meedraagt die je dagelijks leven beïnvloed. Of je hebt gewoon even geen zin om alles op te rakelen wat verleden tijd is. Gewoon die vrolijke jongere zijn die in de bloei van haar leven staat. En anderzijds zijn er momenten dat je het liefste tegen iedereen zou willen vertellen van het verdriet en gemis wat je zo voelt. En wat herkenden we elkaar in deze gevoelens.
We namen afscheid van elkaar, nadat ik had afgerekend en ik werd hartelijk uitgenodigd om eens op de koffie te komen. Alleen als ik er behoefte aan heb natuurlijk. Want ja, we begrepen allebei dat we het er soms niet over willen hebben.
En toch zie je maar weer dat je aan enkele woorden elkaar toch weer begrijpt in dit gedeeld verlies. En wat kan het dan soms goed zijn om toch je gevoelens te uiten, want soms kun je zoveel medeleven en erkenning in elkaar vinden. En net of je pakje dan wat lichter wordt, want die ander begrijpt wat je bedoelt. En wat worden deze woorden dan weer waarheid:
Draagt elkanders lasten, en vervult alzo de wet van Christus. (Galaten 6:2)
Corine van Luttikhuizen (1999) heeft in 2016 haar vader verloren aan een hersentumor. In het dagelijks leven is zij verpleegkundige in Ziekenhuis Gelderse Vallei in Ede en werkt zij thuis in de schapenhouderij. In deze blogs deelt ze hoe herinneringen en rouw in het dagelijks leven invloed hebben.
Vaak krijg je, als je eenmaal de diagnose kanker hebt, de vraag: Hoe kwam je er achter dan? Mensen willen graag weten van het hoe en wat. En ook al ben je het soms beu om te vertellen, toch helpt het ook om alles een plekje te geven. Ik denk ook dat veel mensen die het vragen bang zijn om zelf kanker te krijgen, bang zijn dat ze iets gemist hebben bij zichzelf, en even een check nodig hebben dat ze die symptomen wel of niet hebben. Je ziet mensen dan ook bij wijze van spreken met hun hand naar de aangedane plek gaan om te controleren of er bij hen ook iets mis is. De raderen gaan draaien en in het hoofd worden alle symptomen nagegaan die je noemt. Want stel dat…
Maar eigenlijk begon mijn verhaal daar niet, niet bij de symptomen. Als ik denk aan mijn herinneringen aan kanker, denk ik aan de drie klasgenoten op de basisschool die er een ouder aan verloren. En mijn nichten, oom en die mensen in de kerk die kanker hebben gehad of aan kanker overleden zijn. Door al die voorbeelden was ik als kind al erg bang voor kanker. Toen ik een jaar of 9 á 10 was reden we vanuit ons vakantieadres in Nunspeet terug naar huis. In mijn gedachten zie ik nog de strak blauwe lucht, de molen, de bomen. En het radioprogramma in de auto klinkt nog in mijn hoofd, want het ging over kanker. Onderzoekers dachten dat het over zo’n 20 jaar mogelijk zou zijn om kanker zo onder controle te hebben dat het niet meer dodelijk zou zijn. Nu weten we allemaal dat dat helaas niet gelukt is. Maar toen, op dat moment, klonk het heel mooi. En ze hebben veel bereikt! Vanaf toen is mijn gebed geweest: Heere mag het nog 20 jaar duren voor ik het krijg? Zodat ik genezen kan worden? En reken maar dat ik bij elk pijntje als eerst dacht: is het nu zo ver…? Ik was zo bang om te sterven want dat kon ik niet. Het wonderlijke is dat ik toen het eenmaal zover was die angst niet meer hoefde te hebben. Want de Heere had me laten zien dat het niet de ziekte is waaraan we sterven maar mijn zonden. Maar ook dat Hij voor mijn zonde had willen sterven. Dan jaagt de dood geen angst meer aan, want alles, alles was voldaan!
In augustus 2023 ging ik naar de huisarts en het balletje begon te rollen. Het eindresultaat in november 2023 was Hodgkin. Kanker dus. Ik was 29…
Mariëlle Blom
Mariëlle (’94) kreeg in 2023 de diagnose Hodgkin. Ze is getrouwd met Henrick en moeder van Nathan, Lucas, Tessa en Jesse. Ze mocht, na chemotherapie, genezen van de Hodgkin en ontving daarna haar 3e zoon. Het moederschap is haar baan, daarnaast is ze mantelzorgster voor haar dochter.
De Heiland heeft geheel alleen geleden.
Zelfs Zijn discipelen zijn weggegaan.
Ze hadden in de hof nog niets verstaan.
Zo heeft Hij daar de pers alleen getreden.
Van verre zagen ze Zijn lijden aan.
En niemand van de Zijnen kwam Hem sterken,
als zij vernamen Christus´ bange klacht,
toen Hij daar wegzonk in die donk´re nacht,
vanwege onze schuld en boze werken
en in de helse smarten werd gebracht.
Zo hing Hij daar van God en mens verlaten,
geheel alleen, in eindeloos geduld,
Zijn reine ziel met liefde gans vervuld
voor mensen die Hem van nature haten,
aan ´t ruwe hout betalend onze schuld.
O, Heil´ge Geest, leer ons die schuld bewenen.
Verbreek het hart dat maar niet buigen wil,
dat van zichzelf zo hard is en zo kil.
Drijf ons toch in Uw kracht naar Christus henen.
Dan, ziende op Hem, zijn w´ in verwond´ring stil.
M.A. Groeneweg – de Reuver
Uit: Mijn rechterhand gevat
Uitgave: Uitgeverij De Banier
Een gemengd gezelschap verzamelt zich in De Zwarte Schuur in Ottoland. Een Zeeuw en een Overijsselaar strijken neer bij de kneuterig brandende kachel. Een (ex-)patiënt en een naaste raken met elkaar aan de praat. Een nieuweling en een deelnemer van het eerste uur delen hun ervaring. Er wordt gelachen en er wordt gerouwd. Er wordt gepraat en er wordt geluisterd. Er wordt geworsteld en er wordt gedeeld. Er wordt gezorgd en er wordt ontzorgd. Bovenal wordt er begrepen. Erkent. Herkent.
Het gezelschap mag dan gemengd zijn, ‘kanker’ zorgt voor een onlosmakelijke verbinding. Elke deelnemer kent de zwaarte en de diepte van deze ingrijpende ziekte van binnenuit. Waar de één rouwt om het verlies van een geliefde, rouwt de ander om het verlies van onbevangenheid. Waar de één dealt met de gevolgen van behandelingen, dealt de ander met een veranderde gezinssamenstelling. Waar de één door oude pijn heen gaat, leert de ander met vertrouwen vooruit kijken.
Tijdens het tweedaagse jongerenweekend wordt er – in een toegankelijke en vriendschappelijke sfeer – gelachen, gehuild, gepraat, geluisterd, geworsteld, gedeeld, gezorgd, ontzorgd, begrepen, erkent en herkent. Met elkaar. Schouder aan schouder. In de wetenschap dat opstaan niet iets is wat je alleen hoeft te doen. Wat een troost. Wat een bemoediging. Wat een winst…
…uit verlies!
Arjanne Bijsterveld
Arjanne (’99) kreeg in 2022 de diagnose borstkanker. Een behandeltraject volgde, de ziekte verdween. Met vallen en opstaan, en op zoek naar winst uit verlies, probeert zij deze levensveranderende gebeurtenis te verweven met haar bestaan. In haar blogs deelt ze wat van haar ervaringen.
Arjanne blikt in deze blog terug op het laatst gehouden jongerenweekend. Spreekt dit je aan of ken je iemand voor wie dit van belang zou kunnen zijn? DV 29-30 januari 2027 is de volgende keer gepland.
Uren, dagen, maanden, jaren, vliegen als een schaduw heen. Ook dit jaar is weer bijna ten einde. En elk jaar weer nemen we een klein beetje afscheid. Dat afscheid kwam ook toen mijn vader 9,5 jaar geleden overleed aan de hersentumor.
De jaren waarin ik mocht opgroeien als kind met mijn vader werd 2016 het laatste jaar, de maanden die we samen beleefden werd mei de laatste maand. De datum waarop het afscheid steeds dichter bij kwam was 28. En de uren van net begonnen dag tikten de 4 aan. En de laatste 45 minuten tikten weg. Toen nog een zucht en we wisten het, er komt er nooit meer één.
Met oudejaarsavond werd de naam van mijn vader voorgelezen, overleden in de leeftijd van 60 jaar. De laatste keer dat zijn naam genoemd werd in de kerk. Elk jaar met oudejaarsavond hoor ik nog de naam van mijn vader door de kerk echoën. Het is zo definitief.
Het zijn herinneringen die terug komen op de dagen waarvan je het verwacht. Maar ook op uren, maanden en jaren waarin je het niet verwacht. Of waarin je zo plotseling weer met de dood in aanraking kom, zoals het overlijden van patiënten. Je staat erbij, je hoort de laatste ademhalingen en dan, na die laatste zucht voel ik ook geen hartslag meer. Beelden van mijn vader komen dan weer naar boven. Gevoelens, diep weggestopt vinden een uitgang naar buiten zodra het kan en mag. Niet tijdens m’n werk, want dat is niet professioneel. Maar gewoon onder de autorit naar huis. Of bij een bezoek aan de begraafplaats. En dan sta ik weer even stil bij het stervensuur van mijn vader.
En zo gaan al de herinneringen en verdriet in een rugzak mee, de uren, dagen, maanden en jaren door. En het heeft me gemaakt tot de persoon die ik nu ben. Soms wordt de tas wel eens open gemaakt. De ene keer door mijzelf, om bewust stil te staan bij herinneringen vol liefde. Soms wordt hij opengegooid door een plotselinge gebeurtenis die ik niet aan zag komen, maar me zo bepaald bij de herinneringen. En soms wordt er wel eens door anderen gevraagd om eens wat uit de tas te halen, om te vertellen hoe het nu is. Daarna gaat alles er weer in en wordt de rits weer gesloten.
En zo heeft ieder persoon een eigen rugtas mee die ook in het afgelopen jaar de uren, dagen en maanden gehangen heeft op de schouders van groot en klein, jong en oud. De ene rugtas is groter en duidelijker zichtbaar. Een andere is soms zo klein dat hij bijna onzichtbaar is. Soms is hij misschien wel verstopt. Maar het gewicht ervan voelt niemand anders dan de persoon die hem draagt.
Wat zou het groot zijn als we soms eens wat van de inhoud in het gebed voor God’s aangezicht mogen neerleggen. We zijn zo geneigd om na het gebed alles weer in te pakken en mee te torsen. Maar mochten we nu maar eens wat achterlaten voor Zijn aangezicht en hulp en bijstand alleen van Hem te verwachten. En dat we Zijn juk mochten dragen, want dan hebben we álles. Ook dit nieuwe jaar weer. Ook als de uren, dagen en maanden elkaar weer gaan opvolgen.
Want Hij zegt het in Mattheüs 11 : 28-30:
Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.
Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij dat Ik zachtmoedig en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen.
Want Mijn juk is zacht, en Mijn last is licht.
Corine van Luttikhuizen (1999) heeft in 2016 haar vader verloren aan een hersentumor. In het dagelijks leven is zij verpleegkundige in Ziekenhuis Gelderse Vallei in Ede en werkt zij thuis in de schapenhouderij. In deze blogs deelt ze hoe herinneringen en rouw in het dagelijks leven invloed hebben.
Het mocht weer december worden, de donkere maand van het jaar. Onze decembermaand, gedenkmaand. Het is nacht, een donkere nacht. Onze ogen staren in de duisternis. In plaats van slapen, waken, klaar wakker. Niet meer kunnen slapen. De gedachten buitelen over elkaar. Gisteravond gelezen n.a.v. ons dagboek, 2 Samuël 23, enkele van de laatste woorden van David, de man naar Gods hart, die aan het einde van zijn leven gekomen is. “De God Israëls heeft gezegd, de Rotssteen Israëls heeft tot mij gesproken: Er zal zijn een Heerser over de mensen, een Rechtvaardige, een Heerser in de vreze Gods. En Hij zal zijn gelijk het licht des morgens, wanneer de zon opgaat …” Het getuigenis van een stervende koning, Gods kind en knecht. Hij mag profeteren van de komende Christus, de Zaligmaker. Dat zijn de eerste gedachten als we een poosje in het donker staren. Zijn komst is het toch, die ons heil volmaken kan.
De gedachten vermenigvuldigen. Op enkele dagen na werd 44 jaar geleden ons eerste kind geboren. We waren nog jong. Net nog geen jaar getrouwd. In een donkere nacht midden in december. Vanwege de sneeuwstorm konden we niet meer naar het ziekenhuis. Het was een zware bevalling. Een grote zoon van ruim 8 pond mochten we uit Gods hand ontvangen. Ook een eerste kleinzoon, een stamhouder. Er werden nog 3 van de 7 kinderen in december geboren. Een maand van veel gedenken en veel gedachten. Ook nu weer. Altijd druk en intensief zo kort voor Kerst en Oud en Nieuw. Acht jaar geleden was onze oudste ziek, griep? Wat was er toch, met die grote sterke man? Na enkele weken kwam van de dokter de boodschap: acute leukemie. Een zwaar jaar volgde. Zorgen, geloof en hoop. Chemokuren, een donor, stamceltransplantatie, afstoting. Maar hij mocht erdoor komen. Hij knapte wat op, hoewel het moeizaam was. Ging weer eens naar school, ontmoeting met collega’s. Een avond gemeenteraad, ze toegesproken; ‘Wat de toekomst brenge moge, mij geleidt des Heeren hand’. Hoe gaat het met u? Kon thuis heel weinig. In december zag het moederoog scherp. Gaat het wel goed? Er waren weer dezelfde tekenen als vorig jaar. De dokter zag ook iets: een scherpe boog in de grafiek, niet meer 100% donor. Hij zag dat niet graag. Zullen we nog een punctie doen. Nee, liever weer niet, ja, toch maar wel. Tijdens de Kerstdagen met de familie thuis. Tranen in de ogen. ‘Ik denk dat dit mijn laatste Kerst op aarde is’. Nog wel naar de kerk, ook met oud en nieuw. In januari belt de arts: ‘De leukemie is helemaal terug’. Het werden nog 19 dagen. Toen stierf hij.
In december komt het alles weer in gedachten. Vooral in de nachten. Al die gedenkdagen, die verjaardagen. Wat doen we ermee? Ja, toch maar gedenken, al is het met tranen. Ook zijn geboortedag. Ook die van de andere kinderen. Het is het waard om te gedenken. Kerst komt eraan. Het Licht is opgegaan. Psalm 98 komt in gedachten: “Hij heeft gedacht aan Zijn genade, Zijn trouw aan Israël nooit gekrenkt” Omdat Hij een waarmaker is van zijn Woord en beloften. Gesproken door David op zijn sterfbed. De laatste gedachte voor we weer naar bed gaan, vertoeven bij Johannes in Openbaring 21: “En God zal alle tranen van hun ogen afwissen …. want aldaar zal geen nacht zijn”. Om met de oude Simeon toch te mogen zingen in de donkere decembernacht:
Een licht, zo groot, zo schoon,
Gedaald van ’s hemels troon,
Straalt volk bij volk in d’ ogen;
Terwijl ’t het blind gezicht
Van ’t heidendom verlicht,
En Isrel zal verhogen.
Jan van Ooijen