Vandaag heb ik hem weer zo gemist, mijn lieve Wim. In alle vezels van m’n lichaam, maar ook in de praktische, tastbare dingen. De auto was zo vies… iedere keer zag of voelde ik haast zijn afkeurende blik dat ik hem ‘nog steeds’ niet schoon gemaakt had en uitgezogen (hij deed het iedere week minstens 1 keer). Het onkruid tussen de straatstenen kwam her en der omhoog en al die sprietjes leken me uit te lachen en tegen me te zeggen dat ze het van me gewonnen hadden (bij Wim kregen ze geen kans). De grond in de tuin was zo plat geregend dat ik langslopende mensen bijna hoorde denken dat het er voorheen niet zo bij zou liggen (Wim schoffelde bijna elke dag). Vandaag kom ik er voor de zoveelste keer achter dat ik alleen niet kan, wat we samen konden.

Wat voel ik me vandaag ontredderd zonder Wim! Nee, niet dat dit direct aan me te zien of te merken is. Ook hoor je me dat zelden hardop zeggen. Uiterlijk ga ik m’n gang en doe ik m’n ding. M’n dagtaak bestaat grotendeels uit zorgen voor ons lieve meisje. Na 31 mei 2020 is er alweer zoveel gebeurd, juist ook met haar. Ze kreeg onlangs de diagnose diabetes type 1. Wat is het me zwaar gevallen, dat ik dit zo alleen moest doormaken en niet met Wim kon delen.
Vandaag schrik ik ervoor terug om te voelen hoe het voelt dat Wim z’n plaats echt leeg is en leeg zal blijven. Alle dagen die ooit vandaag hebben geheten, is zijn afwezigheid zo tastbaar aanwezig. Vandaag besef ik voor de zoveelste keer, dat het gemis alleen maar groter wordt.

Vandaag vroeg mijn meisje nog aan me: mama, waarom huilt u niet? Ik zei, mama huilt wel, maar je ziet het alleen niet. Ze vond dit moeilijk, want ze wilde me zó graag troosten en dat kon in haar beleving alleen als ik huilde. Ze snikte tegen m’n schouder: kon ik uw verdriet maar wegnemen. Wat heeft dat kind ook een zwaar pak te dragen. En wat is het moeilijk om haar daar op een goede manier in te begeleiden.

Vandaag zijn we toch ook weer dankbaar voor de dingen die ik in ieder geval vandaag mocht doen, het uitzuigen van de auto, het onkruid trekken, het schoffelen van de tuin, het eten koken, de wandeling. Vandaag ben ik ook dankbaar voor de momenten die we samen met Anthonette hebben gehad, voor het samen dragen en delen van ons verdriet. Vandaag ben ik dankbaar voor het schijnen van de zon en het vallen van de regen.

Vandaag is alles een beetje moeilijker, hoe zal het morgen zijn? God weet het. Als we alles in Zijn hand mogen leggen, wat zou ons pak dan een stuk lichter zijn. Te mogen weten dat alles wat God doet, goed is en Hij dit niet doet om ons te plagen, maar juist opdat we ons naar Hem toe zouden wenden. Daar wil ik vandaag mee besluiten.

Lenie Klop-de Pater

‘Als het water je tot aan de lippen staat, neem dan een taartje’. Deze geweldige zin las ik onlangs in het boek ‘De jongen, de mol, de vos en het paard’ (zeker een aanrader). Deze zin deed me denken aan wat een vriend van mijn ouders ooit zei.

Het was in een spannende week waarin we de uitslag zouden krijgen van de scan, die mama kort daarvoor had gehad. Wat hij zei was het volgende: ‘Wat de uitslag ook wordt, zorg dat er taart in huis is. Ook al is de uitslag slecht, ga ook (of vooral) dan even met jullie hele gezin een taartje eten.’ Hij bedoelde dit om aan te geven dat je op mooie en moeilijke momenten met elkaar moet gaan zitten, elkaar in de ogen moet kijken en met elkaar moet praten. Juist als de uitslag die volgt moeilijk is, is het goed om dat te doen. En naast dat taart ook gewoon lekker is, mag zo’n taartje ook symbool staan voor ‘we gaan niet bij de pakken neerzitten, we gaan (met Gods hulp) door!’

Terug naar de uitslag die mijn moeder zou krijgen. Ik weet nog precies dat ik binnenkwam in de kamer. Mama vertelde dat gebeld was en dat de uitslag niet goed was. Ze zou bestralingen moeten ondergaan. En nadat mij dat verteld was, gingen we wat drinken. Mét taart, want als het water je tot aan de lippen staat, dan moet je een taartje nemen. Even een moment van rust met ons hele gezin, voordat er een onrustige tijd zou aanbreken.

Gelukkig leeft mijn moeder nog steeds en hebben de bestralingen het werk gedaan, wat ze zouden moeten doen. Maar het blijft elk halfjaar, als mama weer een scan moet ondergaan, weer spannend. Eén ding is in ieder geval wel elk half jaar hetzelfde. Bij ons staat op de dag van de scan taart op tafel.

Nunspeet, 30 juni 2021
Thirza van Engelen

Pijn hebben, verdriet voelen: het maakt je onzeker. Hoe kan je dan snakken naar een blijk van meeleven. Geen mogelijke verklaring of oplossing om eruit te komen, maar erkenning voor hoe jij het beleeft.

De knobbel in mijn lies was duidelijk voelbaar. Tenminste, als je wist hoe je moest voelen. En dat wist ik, m’n internist (nog) niet. Zoals hij het dan ook beoordeelde, was het niet iets bijzonders. Het was niet opnieuw kanker. De pijn die ik had, met als gevolg onzekerheid, kon hij echter maar even wegnemen. Een paar uur na het bezoek aan hem was mijn overtuiging er weer. De knobbel, de pijn die het gaf, was wel ernstig. Een klein halfjaar later moest mijn internist, op grond van vervolg onderzoek na mijn aandringen, erkennen: opnieuw heb je kanker.

Aanhoudende ernstige vermoeidheid na de behandelingen voor kanker brak mijn kracht. Rusten, fysiotherapie of wat dan ook gaf geen verbetering van mijn conditie. Goed bedoelde adviezen, ook van professionals, maakten mij mismoedig. Zelf begreep ik het ook niet. Ik vond het moeilijk te erkennen dat het niet lukte. Bedrijfsartsen, internisten en leidinggevenden, niemand kon mij erkenning geven. Feitelijk was het alleen aan de gevolgen meetbaar, maar bleef de oorzaak onduidelijk. Uiteindelijk kostte het mij meerdere keren mijn baan. Juist bij ‘christelijke’ werkgevers vond ik geen barmhartigheid en/of erkenning van het gebroken zijn in mijn kracht. De uiteindelijke genoegdoening in vorm krijgen van ‘financieel waar je recht op hebt’ gaf geen voldoening. Hoe anders bij mijn eerste ‘onchristelijke’ werkgever, daar waar ik werkte toen ik 1e keer kanker kreeg. Zij namen mij opnieuw in dienst terwijl zij wisten, wisten dat ik ‘gebroken in mijn kracht was gebleven’.

Erkenning is meer dan erkent worden in jouw eigen vermoeden of gelijk. Erkend worden in wie je bent (geworden) en de weg die jij hebt afgelegd in lijden of meelijden in overlijden van je geliefde. Erkenning geven is erkenning ontvangen. Zonder oordeel in dialoog gaan, erkenning geven in waar de ander staat en woorden geven aan iemands lijden. Omdat jij hem of haar in het leven verstaat.

Hoe kon Jezus de ander erkenning geven in wat de ander van harte bezig hield. ‘Meester, waar woont u?’ vroegen de eerste discipelen. ‘Kom en zie’, antwoordde Jezus. Jezus zat ook aan de maaltijd in het tolhuis van Levi, en ook vele tollenaren en zondaren. Gemeenschap met en erkenning van de mens in zijn nood. ‘Geef Mij te drinken’, vroeg Jezus de samaritaanse vrouw bij de waterput. Gemeenschap, hoewel Hij een Jood was, in de erkenning dat zij Hem water kan geven. Daarop ontving zij zoveel meer van Jezus: levend water en de Geest die van Hem uitgaat.

Erkennen van elkaar door in dialoog te gaan. Niet door te delen wat wij menen (Ik en het – Martin Buber), maar in de relatie te staan (Ik en Gij). Hoe groot het lijden ook is en blijft. Dan alleen ontmoeten wij elkaar, echt!

Henk-Jan Koetsier

In het ziekteproces van mijn man, hebben we ons dochtertje van 6 jaar altijd direct verteld wat we zelf ook wisten. Hoe hartverscheurend om eerst in de spreekkamer van de arts de boodschap te horen te krijgen dat er een uitgezaaide tumor gezien is en dat de arts zich grote zorgen maakt, dat moment vergeet ik nooit. Alles had ik wel willen geven om mijn lieve man te bevrijden van deze verschrikkelijke boodschap. Ik keek naar hem en sloeg mijn arm om hem heen. Wat voelde ik een hevige pijn van binnen.

Als in een droom zijn we het ziekenhuis uitgegaan. Op weg naar huis. Daar wacht ons lieve meisje in spanning op onze thuiskomst. Het ligt op mijn schouders om in rustige, kalme en zoveel mogelijk kinderlijke taal uit te leggen wat de dokter heeft gezegd. De uitdrukking in haar ogen… wat had ik dit mijn kind graag willen besparen. Maar de Heere kan alles hè mam. Hij kan papa beter maken. Kinderlijk vertrouwen…

De berichten worden iedere keer slechter en toch dat vertrouwen. Dan op een dag wordt er heel duidelijk gezegd dat er geen enkele hoop of verwachting meer is. We verlaten voor de laatste keer samen het ziekenhuis. Naar huis gestuurd om daar te wachten op het einde. Wat een teleurstelling bij ons meisje… ik heb er zoveel om gevraagd of papa beter mocht worden. Dan vat ze nieuwe moed: Mama, de Heere kan ook dode mensen opwekken. Dus als papa straks gestorven is, kan Hij hem weer levend maken…

Mijn man zit erbij en hoort het gesprek zwijgend aan. We zitten met z’n drieën zo dicht bij elkaar en toch onmachtig elkaar te helpen. Alleen het gebed verbindt. Het is alles in Zijn raad besloten. We zullen dat nooit kunnen veranderen.

Wat een slag als papa dan toch gaat sterven. Een en al verwarring… zo vaak de Heere gebeden en toch neemt Hij papa weg. Begrijpen kunnen we het nooit. Wat een voorrecht als we mogen aanvaarden dat Hij het nooit verkeerd doet. Op de dag na de begrafenis zitten we samen aan tafel, zegt ze: mam, we kunnen best samen verder hè, ik heb toch nog een Hemelse Vader. …

Gij ziet het immers, want Gij aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uw hand geve; op U verlaat zich de arme Gij zijt geweest een Helper van de wees – Psalm 10 vers 14

Lenie Klop-de Pater

Sinds de uitbraak van de coronacrisis hebben er veel onderzoeken met betrekking tot kanker stilgelegen. Duizenden mensen zijn te laat gezien door een arts en zijn daardoor overleden. Althans, zo lezen we in de pers. Te laat gezien en te vroeg overleden. Maar dat is menselijkerwijs gesproken. Want komt een arts te laat met een diagnose? Of komt de dood te vroeg?

“Ja, Gij, Wiens wijsheid nimmer faalt, had mijn geboortestond bepaald”. Dit was de belijdenis van de dichter van Psalm 139. Onze geboortestond, maar ook ons stervensuur. In die zin is er bij de Heere dus geen “te laat“ of “te vroeg”. Het lag alles zelfs al van eeuwigheid vast. In deze zelfde Psalm 139 lezen we: “Al deze dingen waren in Uw boek geschreven”. Daarvan zeggen de kanttekeningen zo treffend: “Gij hebt zo wel geweten wat mij wedervaren zou, alsof het voor Uw ogen in een boek geschreven stond, te weten in het boek van de memories van Uw voorzienige regering.”

Dat het al van eeuwigheid vast lag, kan soms troost geven. Dat neemt niet weg dat er heel veel vragen overblijven als er zogeheten medische fouten gemaakt worden. Wat blijven er een vragen over als we horen dat het allemaal anders gelopen zou zijn als er eerder een diagnose gesteld was. Wat ingrijpend als er door uitgestelde zorg niet meer die behandeling ingezet kon worden, die mogelijk levensverlengend geweest had kunnen zijn. Levensverlengend, weer zo’n uitdrukking waarbij we moeten zeggen: menselijkerwijs gesproken.

En met dat alles kunnen we het nooit kloppend krijgen: onze verantwoordelijkheid om op tijd naar een arts te gaan, daarnaast het gegeven dat artsen zeker in coronatijd niet aan alles prioriteit konden geven, en aan de andere kant te weten dat het alles al van eeuwigheid in Gods boek beschreven stond. Het boek van Gods voorzienige regering. We zeggen wel eens tegen elkaar: in dat boek kunnen wij niet kijken.

Toch mogen we er wel eens in kijken. Achteraf. Het hééft zo moeten gaan, belijden we dan. De arts kwam niet te laat en de dood kwam niet te vroeg. De arts kwam op dat tijdstip dat in dat boek was vastgelegd. Dat was Gods wil al van eeuwigheid. Wat een genade als we onze eigen berekeningen mogen loslaten. Om te mogen belijden en beleven (!) dat het Gods vinger was, Die met Zijn Goddelijke pen mijn levensboek beschreven heeft. Er kwam geen diagnose te laat en er kwam geen diagnose te vroeg.

L. Huisman

Omstandigheden kunnen ons moedeloos maken. Ingrijpende gebeurtenissen, zoals ziekte, een geliefde verliezen, werkeloos worden, afgekeurd raken of wat ons ook overkomt. ‘Neem toch mijn ziel van mij’, bad Elia (1 Kon. 19:4) en Jona (Jona 4:3). Mijn situatie kan zo nutteloos zijn, het lijden drukt en zicht op verbetering mis ik. De hemel blijft voor mij gesloten en anderen zie ik geholpen worden (Luk. 4:25).

En toch wordt van ons gevraagd, wat overal en altijd kan, God te verheerlijken. Liggend op ons ziek- of sterfbed, tijdens de behandelingen, in het zien van het lijden of bij het graf van onze geliefde(n). Velen die in lijden zijn, Gods Woord geeft vele getuigenissen, gingen ons voor. Van de geraakte staat er, bevrijd van zijn zonden en opgericht, ‘ging heen naar zijn huis, God verheerlijkende’ (Luk. 5:25). In het onrecht wat Paulus en Silas werd aangedaan, zongen zij in de nacht Gode lofzangen (Hand. 6:25).

Misschien beperkt geraakt, werkeloos of oud geworden en toch van betekenis willen zijn? Nog zoveel willen betekenen, vrijwillig of betaald, tot ons overlijden? Niemand wil nutteloos zijn. Is van betekenis zijn en blijven het doel van ons leven? ‘Petrus’, sprak Jezus, ‘wanneer je oud geworden bent, zo zult je jouw handen uitstrekken, en een ander zal je gorden, en brengen waar je niet wilt’ (Joh. 21:18). Dat kan ook onze weg zijn als we jong of van middelbare leeftijd zijn. God wil door ons leven aan Zijn eer komen, Zichzelf verheerlijken.

Hoe kan ik God verheerlijken in mijn levensomstandigheden? De melaatse door Jezus genezen, werd geboden dat hij het niemand zeggen mocht en zich vertonen moest aan de priester. Maar het gerucht van Jezus macht ging te meer voort en de kracht van de Heere was er om te genezen (Luk.5:17). Nu ook de geraakte God verheerlijkend naar huis ging, heeft ontzetting hen allen bevangen. Zij verheerlijkten God, en werden met vrees vervuld, zeggende: ‘Wij hebben heden ongelofelijke dingen gezien’. De ongelooflijke ‘genezing’ (Psalm 30:3 onberijmd) van ons, de verlossing van onze ziel, kan anderen redenen geven God te verheerlijken.

‘Nu is Mijn ziel ontroerd, en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit deze ure. Maar hierom ben Ik in deze ure gekomen. Vader, verheerlijk Uw naam’, bad Jezus toen Hij getuigde van Zijn aanstaande lijden en dood (Joh. 12:27,28a). Met Zijn gewilligheid en offer van Zijn leven geeft de Zoon van God die in Zijn naam geloven het eeuwig leven. Laat ons dan voor Zijn onuitsprekelijke verlossing naar ziel en lichaam: eendrachtelijk met één mond mogen verheerlijken den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus (Rom. 15:6).

Geschreven naar aanleiding van de weekdienst 27 januari jl. in Woerden

Nunspeet,
Henk-Jan Koetsier

Houd hoog Uw kruis is het begin van de eerste regel van het laatste vers van het gezang ‘Blijf bij mij Heer’. En wie denkt daarbij niet aan ’t offer van Jezus Christus en die gekruist, Gods Zoon? Aan de verhoogde koperen slang door Mozes in de woestijn (Num. 21:6-9). Al wie van het volk Israël gebeten was door de giftige slangen kon daarop zien en genezen. Hoe vreemd dan ook dat niet iedereen daarop zag, dat velen het niet konden geloven dat het ‘alleen daarop zien’ genezing gaf. Hun eigen kruis, hoe ingrijpend ziek toen door het slangengif, hield hun blik vast. Zij stierven door hun ongeloof, door niet te gehoorzamen en op de verhoogde slang te zien. De verhoogde slang als beeld van de Christus die komen zou. Hij die verlossen kan van hun ziekte, de zonde zelf en van de eeuwige dood.

In het leven houden we veelal ‘hoog ons kruis’. We willen ervan bevrijd worden of op z’n minst erkenning vinden hoe zwaar het ons drukt. Hoe raak ik de last van mijn kruis, mijn verlies kwijt? In dit leven niet. Ons verdriet blijft. Het dragen van ons kruis wordt ook geen zaak van vreugde. Paulus hield de doorn in zijn vlees. Hij bad tot God om hem daarvan te bevrijden. Het antwoord was dat Gods genade hem genoeg moest zijn. Paulus ging zien dat zijn kruis hem hielp om niet hoogmoedig te zijn met de ontvangen openbaringen (2 Kor. 12:7-9). Zo is het wel te dragen voor wie door ’t geloof op Christus kruis ziet. Bij Zijn kruis vergeleken, de last van de toorn van God tegen de zonden, wordt ons kruis vederlicht. Hoe smartelijk verlies van gezondheid of geliefde(n) ook is. Dan ervaar ik het als zegen om het mij opgelegde kruis in Gods kracht te kunnen dragen. Om Christus daarmee te volgen waar Hij mij op mijn levensweg ook heenleidt. Met het uitzien dat het stervensuur mij voor eeuwig van mijn kruis bevrijdt. Daarom is het de wens van het bestuur voor het komend jaar in wat u en jou ook overkomt:

Houd hoog Uw kruis voor mijn verdonk’rend oog,
Licht in den schemer, leid mij naar omhoog!
De morgen daagt, de schaduw gaat voorbij:
in dood en leven, Heer, blijf mij nabij!

Het bestuur ziet er erg naar uit om u en jou het komend jaar te kunnen uitnodigen en ontmoeten op één van de contactdagen, het jongerenweekend of de informele contactrondvaart.

Binnen de geldende noodmaatregelen voor het samenkomen van personen heeft het bestuur een mogelijkheid gevonden om vanuit Gods Woord toch tot steun en troost te kunnen zijn bij kanker. De kerkenraad van de Gereformeerde Gemeente in Woerden is bereid gevonden om D.V. op woensdagavond 27 januari a.s. om 19:30 uur een weekdienst te houden met speciaal thema rond Winstuitverlies. In deze weekdienst, waarin Ds. A.J. de Waard van Urk zal voorgaan, zal de predikant in tekstkeuze en prediking aandacht geven aan het verlies van gezondheid en/of verlies van geliefde(n). De weekdienst zal, daar het aantal bezoekers beperkt is, online middels een live-stream te volgen zijn. Voor meer informatie verwijzen wij naar de website Winstuitverlies.nl en GerGemWoerden.

Namens het bestuur,

Henk-Jan Koetsier
voorzitter

Op jonge leeftijd trof het mij hoe beesten dood gingen. Gevonden dode vogels begroef ik op een rijtje aan de zijkant van ons huis. Soms in een doosje gelegd bracht ik die eerbiedig naar een gedolven grafje toe. Dekte de plek met een steen toe. M’n opa die bij ons in woonde liep met mij mee en hief zijn hoed op als ik het erin legde. Het doodgaan van beesten, het lijden van schepselen deed en doet mij wat. Het schepsel zucht, als in barensnood zijnde, zegt ons Gods Woord.

In Romeinen 8 vers 21 – 28 noemt Paulus vier fundamenten van troost, aansporingen om lijdzaam te verwachten. Een daarvan is dat het schepsel, met opgestoken hoofd, verwacht de openbaring van de kinderen Gods. Want het schepsel is de ijdelheid, de vergankelijkheid onderworpen. Alleen niet gewillig, maar om de mens door wiens toedoen zij dat onderworpen zijn. Met het schepsel bedoelt Paulus hier al het geschapene uitgezonderd de mens. De mens is door God goed geschapen, naar Zijn beeld en ontving de heerschappij over de dieren. In de zee, in de lucht en op het land.

Door de ongehoorzaamheid van de mens aan God, onze hoogmoed om als God te willen zijn, is de aarde om ons vervloekt. Het schepsel lijdt, het zucht onder de gevolgen van die vloek. Het lijden in het leven op deze aarde met als einde de dood. Ook het redeloze schepsel ziet van nature uit naar leven, een leven zonder lijden en dood. Het schepsel ziet (zelfs) uit naar de openbaring van de kinderen van God. Naar de dag waarop de aarde vernieuwd zal worden, Gods koninkrijk zal neerdalen en er gerechtigheid wonen zal. Geen lijden, geen zuchten en geen dood.

Zoals Paulus het schrijft had ik het niet eerder gezien. Dat het redeloze dier, de schepping zucht, uitziet naar de openbaring van de kinderen Gods. Een glimp van die toekomst vangen zij al op in de wandel van de rechtvaardige op de aarde die toont het leven van zijn beesten te kennen (Spreuken 12 vers 10). Het schepsel ziet uit, maar hoopt ook op de vrijmaking van het dienen van de verderving. Het schepsel ziet uit te delen in de vrijheid van de kinderen Gods. En wij?

Paulus noemt hun uitzien een fundament van onze troost, een aansporing voor ons tot lijdzaamheid. Het redeloze schepsel, dat door de ongehoorzaamheid van ons mensen lijdt, ziet met opgestoken hoofd uit. Hoe zouden wij dan met hen niet reikhalzend naar de openbaring van de kinderen Gods moeten uitzien.Tenminste als van ons geldt wat Johannes (1 Joh. 2 vers 2) zegt: “Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen. Maar wij weten dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien gelijk Hij is.” En de schepselen met ons!

Henk-Jan Koetsier

Daar draait alles nu om… hoe in verbinding blijven zonder contact? Na contactloos betalen ook samenleven zonder aanraking. Contact wat zo onontbeerlijk, zeker bij verlies. Rouwen zonder vasthouden. Houdt vol in afstand houden! Makkelijk gezegd. Als een magneet trekt het intense verdriet je aan in wat je ziet en voelt. Even een arm om iemand leggen of omhelzen. Wanneer je staat rond de kist waarin een geliefde ligt. Of aan het open graf, hét moment van afscheid nemen. Het is uit de boze, er staat een hoge boete. Want het is crisis.

Crisis, een woord wat niet persé verbonden is aan onheil. Crisis betekend: ‘het moment van de waarheid’. Hoeveel crisissen hebben wij al in ons hun persoonlijk leven doorstaan. Het moment dat jezelf of je geliefde de boodschap krijgt ernstig ziek te zijn. Uitbehandeld misschien. Momenten van de waarheid in jouw leven. Dan heb je de lijve ervaren sterfelijk te zijn of onmachtig te zijn het kwaad af te wenden. En nu niet aan te mogen raken, afstand te moeten houden. Onm(w)enselijk!!!

Toen ik haar sprak was haar man overleden. Zij had hem voor het laatst telefonisch kunnen spreken. Daarna werd hij in slaap gebracht. Door ademnood kon hij niet veel meer zeggen. Wel beseffend dat het zijn laatste woorden konden zijn. Wat voelde zij zich onmachtig om hem juist nu nabij te kunnen zijn. Heel haar huwelijksleven voor hem gezorgd en nu op afstand gezet. Achteraf bleek het hun laatste moment voor zijn heengaan. Niet meer gesproken, niet meer omhelst, niet nabij geweest. In haar verdriet miste zij een arm om haar heen. Niemand in haar nabijheid die het durft, waagt misschien ook. “En straks bij het graf? Moet ik dan alleen staan?” Als één van de dertig ‘bevoorrechten’ was ik bij de condoleance voorafgaand aan de rouwdienst, de tocht naar de begraafplaats, stond ik bij het graf. Wat koste het mij moeite om weerstand te bieden aan het niet kunnen troosten. Contactloos, op afstand staan, zien lijden. Onm(w)wenselijk!!

Het komt mij zo bekend voor, roept veel herkenning op. Misschien is dat wat grote weerstand oproept. Zelf op afstand geplaatst, melaats voelen door de kanker die je treft. Verschillende keren, ook geïsoleerd, verpleegd gelegen. Contactloos moeten zijn met je geliefde(n). Op afstand blijven, onoverbrugbaar, voor het gevaar van infectie. Moeilijk is het om dat te delen met hen die het zelf niet treft. Al ligt het leven voor ons allemaal tijdelijk stil. Toch raakt de sterfelijkheid de meesten van ons persoonlijk nog niet.

Crisis, het moment van de waarheid. Hoe goed zijn we contactloos in verbinding? Redden we het wel om de crisis samen te overleven? En als de dood scheiding maakt, wij niet meer samen (kunnen) zijn?

Uitzien naar dé Troost(er), het is de aanleiding voor het organiseren van de contactmomenten rond Gods Woord bij kanker. Elkaar wijzen op en delen in hoe God Zich in het leven openbaart. Juist als het crisis in ons leven wordt en is. Christus had zijn discipelen geroepen, volg Mij. Hij heeft Zich aan hen persoonlijk geopenbaard. Gezegd dat wie Hem kent, ook Zijn vader kent. Want samen Zijn Zij Eén. Toch verloren zij Hem toen Hij Zijn geest gaf aan ’t kruis. ’t Werd crisis in hun leven. Op het moment van de waarheid sliepen zij en verlieten zij Hem allen. Uit de dood herrezen openbaart Hij zich opnieuw aan hen. Raak Mij niet aan, zo zegt Hij Maria. Of ’t moet Thomas van ongeloof overtuigen om de Levende aan te raken.

Ik vaar op tot Mijn en uw Vader. De scheiding valt. De Troost(er), de Heilige Geest, zal komen. Om de wezen, hun gemis voor altijd te vervullen. Niet om nabij te zijn, zoals Jezus was. Want de Geest komt in hen. Opdat Hij bij hen woont, hen leidt en tot God brengt. Opdat zij gelijk Wij, zegt Jezus, één zijn. Geen afstand mogelijk, niet meer contactloos, eeuwig in verbinding. Eén met de Vader die verkiest, met de Zoon die verlost en de Geest die overtuigt. Samen één voor Gods troon én al hier beneden. Want Ik, zegt Jezus, kom weer! Zo in verbinding, in contact staan, lid van één Lichaam… dan redden we het wel, ook in door deze crisis.

Nunspeet, Mei 2020
Henk-Jan Koetsier

Zacheria, de profeet hij zag
Verheug u zeer dochter Sions
Zie uw Koning komt

Wijzen zij zagen
Zijn ster in ’t Oosten
Komend zien zij de Koning

Menigte van discipelen zij zagen
Wie is toch dezen rijdend op een veulen?
Ziende op Zijn krachtige daden

De Koning zelf zag de stad
En weende over haar
Zie, dat zij niet bekend wat tot haar Vrede dient

Pilatus zag de Joden voor ‘t rechthuis staan
Zij klaagden de Zone Gods bij hem aan
En sprak: Zie, uw Koning

Die op Golgatha voorbijgingen zij zagen
Geschreven in ’t Hebreeuws, Grieks en Latijn
Ziende: “de Koning der Joden”

Voorbijgangers zagen, schuddend hun hoofden
Zeggend met overpriester, schrifgeleerden, ouderlingen en farizeeën
Zie, de Koning Israëls kan Zichzelf niet verlossen

Drie uur duisternis, niemand die iets zag
Tot Jezus sprak: Mijn God, waarom verlaat U Mij
Blind riepen die daar stonden: Zie, Hij roept Elia

De hoofdman over honderd zag
Bevend, bevreesd door al ‘t geweld
Bekende: Zie, Waarlijk Deze Koning was Gods Zoon

Maria zag ten derde dage in ‘t lege graf
De engel zei haar: Vrees niet!
Zie, Jezus wien u zoekt is opgestaan

De elf discipelen zagen Hem
Die heeft alle macht in hemel en op aarde
Zie, Ik ben met u al de dagen tot de voleinding der wereld

En al wat Zijn volgelingen zagen
Wees een getuige van deze dingen
Want zie, Ik zend de belofte Mijn Vaders op u

Zo zagen zij Jezus opvaren tot Zijn en uw Vader
Waarvan Stefanus stervend getuigd
Ik zie de Zoon des mensen staande ter rechterhand Gods

Saulus zag en had behagen in Stefanus dood
Tot hem Jezus verscheen: Ik ben het die u vervolgd
Predikt hij terstond, vervuld de H’ Geest, Christus de Zone Gods

Och of u ook op deze dag zag wat tot u vrede dient
Of blijft ‘t verborgen voor uw ogen?
Zie, uw Koning!

Henk-Jan Koetsier